Opinie: Uitsluiten van ondergrondse CO2-opslag is een luxe die we niet meer hebben | Natuur & Milieu

Opinie: Uitsluiten van ondergrondse CO2-opslag is een luxe die we niet meer hebben

Nieuwe studie naar de belangrijkste maatregelen om CO2-uitstoot industrie te verminderen

CCS kan op korte termijn voor een aantal sectoren bijdragen aan CO2-reductie. Dat blijkt uit een nieuwe studie van Natuur & Milieu naar de belangrijkste maatregelen waarmee de CO2-uitstoot van de industrie kan worden verminderd. Het onderzoek laat zien dat de discussie moet gaan over hoe en in welke tak van de industrie we de verschillende mogelijkheden toepassen én bijbehorende subsidies zo verstandig mogelijk verdelen. CCS is daarbij een optie die meetelt, schrijven Natuur & Milieu en de Natuur & Milieufederatie Zuid-Holland op basis van het onderzoek.

De CO2-uitstoot moet omlaag, daar is geen ontkomen aan. Grote vervuilers in de industrie moeten dus ook hun uitstoot verminderen. CCS kan voor de korte termijn een noodzakelijke optie zijn, maar dan wel onder strenge voorwaarden en als onderdeel van een pakket maatregelen dat verder inzet op het voorkómen van CO2-uitstoot. Een pakket dat ons uiteindelijk van fossiele brandstoffen af helpt. Zoals in het Klimaatakkoord is afgesproken: om te zorgen dat de inzet van CCS niet ten koste gaat van technieken die voor de langetermijntransitie nodig zijn, is de subsidiëring van CCS begrensd en meer dan de helft van de industriële subsidiemiddelen moet beschikbaar blijven voor technieken anders dan CCS. Een hogere CO2-heffing, zowel Europees als nationaal, kan oversubsidiëring voorkomen.

De industrie in Nederland, zoals de staal- en ijzerfabrieken, olieraffinaderijen, chemische fabrieken, maar ook papierfabrieken en voedingsmiddelenindustrie, stoten veel CO2 uit bij het maken van hun producten. Dat komt doordat ze veel kolen, olie en gas als brandstof en als grondstof gebruiken.

Om de afgesproken klimaatdoelstellingen te halen, moet de industrie haar CO2-uitstoot de komende tien jaar fors verminderen om uiteindelijk in 2050 op nagenoeg nul CO2-uitstoot uit te komen. Her en der wat verbeteringen aanbrengen en doorgaan op de oude voet volstaat niet meer: er is een wezenlijke transitie nodig naar schone productiemethoden. Er zijn veel mogelijkheden om CO2-uitstoot structureel omlaag te brengen, zoals energiebesparing, gebruik van hernieuwbare brand- en grondstoffen zoals duurzame energie en groene waterstof, elektrificatie, en veel meer recycling. Al deze oplossingen zijn nodig, maar een deel van deze oplossingen is niet marktrijp en moet nog met de benodigde investeringen ontwikkeld worden. Een andere manier om CO2-uitstoot aan te pakken is ondergrondse CO2-opslag (CCS). Dit is een bijzondere maatregel in het mandje van mogelijkheden: De CO2-uitstoot wordt niet voorkomen, maar opgevangen en opgeslagen onder de grond, zodat het niet in de atmosfeer komt. Het is dus geen ideale oplossing die ons van fossiele brandstoffen af helpt.

Om de klimaatdoelen te halen zal de industrie de preventieve oplossingen die op de korte termijn beschikbaar zijn moeten toepassen, en tegelijkertijd de oplossingen voor de lange termijn moeten ontwikkelen. Echter, voor sommige sectoren levert dit in 2030 nog te weinig CO2-reductie op. In dat geval komt CCS in beeld als tijdelijke overbruggingstechniek.

De vraag is dus niet of, maar hoe en waar de industrie CCS moet inzetten. We hebben de luxe niet meer om deze ‘end-of-pipe’-oplossing af te wijzen. Maar er moet wel een sterke prikkel blijven bestaan om over te stappen op oplossingen waarbij het gebruik van fossiele, vervuilende brandstoffen niet meer nodig is. CO2-opslag mag nooit een belemmering worden voor preventieve verduurzamingsmaatregelen. En subsidie voor CCS moet verstandig worden verdeeld. In het Klimaatakkoord zijn daarom voorwaarden aan subsidie voor CCS gesteld. In deze voorwaarden wordt echter geen expliciet onderscheid gemaakt tussen sectoren en toepassingen waar CCS wél en niet nodig is. Het maken van dit onderscheid is belangrijk om de transitie versnellen.

Uit het onderzoek dat CE Delft in opdracht van Natuur & Milieu uitvoerde, blijkt dat vooral in de ijzer- en staalindustrie en bij waterstof- en ammoniakproductie op korte termijn niet genoeg preventieve CO2-reducerende alternatieven beschikbaar zijn. Hier is CO2-opslag op korte termijn nog nodig om de CO2-uitstoot terug te dringen. Dat betekent dat de overheid hier aan de slag moet gaan met de benodigde infrastructuur – het leidingennetwerk naar de lege gasvelden waar CO2 opgeslagen kan worden.

Naast de gerichte inzet op CCS in sectoren waar alternatieven nog te ver buiten bereik zijn, moet er ook vol ingezet worden op het ontwikkelen van de preventieve verduurzamingsmaatregelen. Een aantal maatregelen die de industrie kunnen helpen verduurzamen zitten nog in een test- of opschalingsfase. Zo vereist een transitie naar grootschalig gebruik van ‘groene’ waterstof sterke overheidsregie, financiële ondersteuning en maatregelen waardoor de productie en toepassing van groene waterstof kan worden opgebouwd. Een tijdige inzet op de ontwikkeling en opschaling van preventieve technieken is een voorwaarde om de doelstelling van klimaatneutraal in 2050 te bereiken.

Nederland heeft een grote industrie, die ons welvaart heeft gebracht, maar ook ontzettend veel CO2-uitstoot. Wil de industrie toekomst hebben, dan is de enige weg vergroening. Door specifiek onderscheid te maken tussen industrieën die CO2-opslag nodig hebben, en industrieën waar men voldoende reductie kan bereiken met preventieve technieken of krimp, kunnen we de transitie naar een duurzame industrie versnellen, en zorgen dat publieke middelen efficiënt worden benut.

Marjolein Demmers, directeur Natuur & Milieu
Alex Ouwehand, directeur Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland

 

  • sponsor
  • sponsor
  • sponsor